Perscentrum Nieuwspoort, Den Haag 2006

Perscentum Nieuwspoort, Den Haag

Een ode aan de tulp. De tulp, geschilderd door 21 kunstenaars. Onder hen zijn kunstenaars uit Turkije en van deHaagse sociëteit Pulchri Studio. Ook Jan Cremer, waarschijnlijk de bekendste eigentijdse schilder van tulpen is vertegenwoordigd met twee werken in olieverf op papier. Het Museum De Zwarte Tulp in Lisse staat antiek aardewerkin bruikleen af. Ook zijn er facsimilé’s te zien van 17de eeuwse tekeningen en gouaches uit de collectie van FransWillems, auteur van het boek Het mysterie van een tulpenschilder. De deelnemende kunstenaars: Liduine Bekman, Judith van Bilderbeek, Sanye Bildircin, Jan Cremer, Rinus Groenendaal, Hilda Hendriksen, Cecile Hessels, Anja Jager, Janine van der Kaaij, Maria Neefjes, Carla Ruimschotel, Els Schuring, Louise van Terheijden, Kees Thijn, Ellen van Toor, Marja Verduin, Ita Verwey, Frieda van Voorst, Annette Warringa, Margriet Westervaarder, Marijke deWit

De tulp is typisch Nederlands, hoe men het ook went of keert. Maar het verhaal is ingewikkelder, zoals zo vaak. De tulp, die is namelijk ook van Turkije. Daar wist Carolus Clusius al alles van. Die werd in 1594 professor in Leiden en legde daar de eerste Nederlandse botanische tuin aan, de befaamde Hortus Botanicus. Na enige jaren kreeg Clusius via een bevriende diplomaat een onbekende bloemensoort met bol en al uit Turkije. Inderdaad, de allereerste tulpenbol in deze drassige dreven. Clusius ging daarmee voortvarend experimenteren. Weldra had hij een schat aan variaties in vorm en kleur gekweekt. De tulp had zich voorgoed in de Nederlandse grond genesteld. Er gaat eenapocrief verhaal dat op een kwade nacht een onverlaat over het hek van de Leidse hortus is geklommen en eenaantal tulpenbollen heeft gestolen. Die zou hij hebben verkocht aan boeren in de regio en daaraan zouden wij de bollenstreek met alles daarop en daaraan te danken hebben.

Geen tulpen zonder bijbehorende manie. Al spoedig droegen de dames aan het Franse hof van Lodewijk XIII liever tulpen dan sieraden. Dat ontging speculanten in de jonge dynamische Republiek der Verenigde Nederlanden niet. Tulpen werden een nationale obsessie. De prijzen bereikten astronomische hoogten op de prille Amsterdamse aandelenmarkt. Op het hoogtepunt van de ‘tulpomanie’ in 1636/37 deed een enkele bol van het type Viceroy de 2500 florijnen. Dat was omgerekend twee vrachten graan, vier vrachten rogge, vier vette ossen, acht varkens, twaalf schapen, duizend pond kaas, vier vaten bier, plus een stel kleren en een ledikant. Deze zeepbel barstte weldra.Turkije zelf kreeg ook zijn eigen ‘tulpomanie’, maar dat was later en het zag er ook wat smakelijker uit. Grootvizier Mehmed die tijdens het sultanaat van Ahmed III (1703-1730) de touwtjes van het Ottomaanse rijk in handen had, organiseerde elk voorjaar een groot tulpenfestival. Meer dan een half miljoen tulpen bloeiden in de tuinen. In de nacht waren er feesten in het maanlicht. Zangvogels kwinkeleerden in zilveren kooien. Mehmed schreef een boek waarin hij een lijst opnam met alle 1323 toen bekende variëteiten van de tulp.

Overdrijven moet niet, maar de tulp heeft de mensen vaak gek gemaakt. Hebzucht, verlangen, jaloezie, het speelde allemaal een rol in de ontwikkeling van de tulp, ooit een wilde bloem uit de Aziatische steppen tot het wereldwijde marketingproduct van tegenwoordig. Alleen al de Verenigde Staten importeren jaarlijks drie miljard tulpen bollen.Duitsland en Frankrijk zelfs nog meer.